Brénine werkt aan sociale kunstprojecten. Zo benaderde ze bijvoorbeeld families in diverse landen om met haar kunstproject “Boekdelen” mensen te betrekken bij het tot stand komen van een creatie, zodat iedere deelnemer een concreet deel wordt van het kunstwerk. Eveneens ‘De natuurwaarnemer’, de tentoonstelling in de warande te Turnhout, een project in Balen zijn zo ontstaan. Tevens maakt zij hierbij een film-evocatie.

Haar schilderwerken, meestal in een gemengde techniek, zijn van verschillende waarnemingsniveaus. Het zijn silhouetten van deelnemende mensen, verwerkt op ware grootte, individuen waar ze zich probeert bij in te leven.

In haar ruimtelijke werken vind je natuur structuren terug. Met soms dierenschedels en vloeiende slierten.
In het werk van Brénine nestelt de ervaring van onvoorziene verbanden, de ontwapening voor het raadselachtige en het speelse van een schitterende vogel.

 

Een nomade met vele huizen van Frank Tubex

Wanneer wordt een menselijke expressie kunst ? Een interessante vraag waarop het echter moeilijk antwoorden is. Wordt die expressie kunst wanneer zij maatschappelijk relevant blijkt of volstaat de loutere artistieke vormgeving van een individuele inspiratie om reeds over kunst te kunnen spreken ? Het is allerminst de bedoeling om de interessante en misschien zelfs noodzakelijke reflectie op deze vraag binnen het bestek van deze introductie te voeren. Alleen, de vraag kwam onweerstaanbaar bij me op toen ik in contact kwam met het werk van Brénine. Haar werk kan immers maar begrepen worden binnen de spanning van deze twee polen.

In den beginne werkte Brénine vanuit haar eigen leefwereld. Van bij de eerste tentoonstelling duikt al het zelfportret als thema op. Is haar werk aanvankelijk nog duidelijk figuratief, dan evolueert zij stilaan naar een meer lyrisch-expressionistische stijl waarin echter de menselijke figuur, vaak door een aangezicht, manifest aanwezig blijft. Ze gaat daar echter in alle vrijheid mee om en gevoelsmatig zoekt ze dingen die verborgen liggen in de mens. In die periode ontstaan haar door kenners vaak als mystiek omschreven reeksen van gezichten en lichamen in sobere kleuren. Het is een ambigue kunst waarin rust en chaos elkaar in confrontatie ontmoeten en aanvullen.

Chaos blijkt na een tijd de dominerende kracht te worden in Brénine’s werk. Haar impulsieve aanpak ressorteert nu in een donkerder coloriet in onrustige composities die steeds abstracter worden. De chaos van haar werk vertaalt de onzekerheid van haar ziel. Brénine tekent koortsachtig en vluchtig op om het even wat – een papiersnipper of een strook karton – en in haar tekenwerk wordt de chaos ronduit destructief : omvergevallen voorwerpen, onthoofde figuren, homoïde objecten duiken om de haverklap op. Ze lardeert die tekeningen met veelzeggende slogans : Zonder evenwicht – zichzelf zoekend ! Ze ontwikkelt en gebruikt een aangepaste beeldtaal om haar eigen innerlijke wereld van vragen en twijfels te veruitwendigen. Jaren werkt zij op deze manier. Het effect is therapeutisch voor haarzelf. Lucide stelt Brénine zich echter de vraag wie nu op haar kunst zit te wachten en ze ervaart daardoor een verstikkend artistiek isolement. Haar zeer persoonlijke taal dreigt hermetisch te worden. Haar kunst is als een solopartituur in mineurtoon.

Langzaam groeit het besef en nadien ook de behoefte om haar werk open te gooien. Haar artistieke monoloog verandert in een vragende dialoog. Ze gaat op zoek naar een publiek, meer nog, ze wil het publiek betrekken bij haar creaties. Liefst een zo divers mogelijk publiek en liefst ook zo divers mogelijke creaties. Dat zoeken mondt uit in een steeds groeiende reeks projecten. Die projecten verlopen in grote interactiviteit : het publiek participeert actief mee in het creatieve proces. Of zij met die participatieve kunst in de ruime zin van het woord een maatschappelijke boodschap poogt uit te drukken is niet zeker, maar in elk geval is het haar eigen originele strategie om de al dan niet denkbeeldige kloof tussen publiek en kunstwerk te dichten. Over de wand, Boekdelen en nu recent De natuurwaarnemer zijn zulke langlopende initiatieven tussen een kunstenares die vragen stelt aan een doelpubliek en het tegelijk een forum biedt om mee de antwoorden te vinden en formuleren. Soms is dat doelpubliek zorgvuldig uitgekozen, soms berust deelname op toeval. Opvallend is dat ze daarbij niet alleen thematisch uiteenlopende projecten opzet. Ze gebruikt tevens een zeer gevarieerde artistieke vormentaal. Brénine werkt immers graag met gemengde technieken. Vertrekkend vanuit de oriënterende spontaneïteit van de tekening, schildert en boetseert ze, gebruikt ze hout en verf, internet en film, papier en textiel, plastiek en metaal. Geduldig werkt ze die projecten dan uit in samenspraak met een letterlijk te nemen publieke inspiratie. De interactieve aanpak heeft haar werk een stuk rustiger gemaakt : de ronde vorm komt terug, de tekening wordt opnieuw figuratiever en de natuur doet haar intrede. Bovenal is het een uitdrukking van haar rijke arsenaal aan creatieve expressievormen. Daarnaast blijft het wellicht ook een onverbloemde uiting van haar onafgebroken zoeken naar de meest precieze en aangepaste taal om haar plaats in een bonte en boeiende wereld te vinden. 

Haar kunst krijgt daardoor een nomadische dimensie. Brénine is onderweg, heel bewust maar open voor alle opportuniteiten. Een kruispunt is tegelijk een ijkpunt en een nieuwe kans op ongekende wegen.
Deze tentoonstelling is zo’n ijkpunt, tijdelijk maar essentieel. Het is ook een nieuw vertrek naar wie weet waarheen. Wat ik wel weet, is dat het de moeite zal lonen haar te volgen.

 

Tekst van Geert van Istendael

Ik trok naar de hut aan de rand van de hei, aan de rand van de wei,
daar waar de waaidennen zwaaien en wringen en wijzen,
paradijsheuvel, korstmos, zonnedauw,
ik trok naar de kievitvrouw, uilenvrouw, vlindervrouw, wouwenvrouw,
zij die kijkt van gagel naar buntgras, bruid van de liereman,
kruidenvrouw tussen oehoe en gaspeldoorn,  
ik ging om te zien haar arbeid, haar werken, haar verven, haar krassen,
ik ging om te zien door haar ogen, haarscherp, verenscherp als de wulp, als de koperwiek,
kristalhelder als ogen, als lenzen van verrekijkers, vogelkijkers,
precies en geduldig, uitvoerig, volledig,
geen bek, geen streep op de stuit of geen vlucht,
geen vleugel die hun ontgaat,
die niet komt in het boek dat zij schonk en beschilderde,
zij schildert de aantekening,
zij schildert de waarneming,
zij schildert de weidse, luchtige, waaiende wetenschap van grasland en rietkraag en bosrand,
zij schildert de duistere glans van het ven,
zij fotografeert
zij vervormt, zij geeft vorm aan
de mannen die kijken, die kijken, die kijken, die kijken,
elf mannen, één meisje dat kijkt en dat kijkt en dat kijkt,
het meisje kijkt voor altijd, zwart op glas is zij de verre kijker, voorgoed,
twaalf aardse apostelen, bosgroen, zandbruin in jekkers en laarzen,
hun ogen echter verlost van de zwaarte en
om hun ogen de rimpels doortrokken van ornithologische wijsheid,
uilenogen, vlinderstippen omzwermen hen, de scherpte van bekken kan hen niet bedreigen,
ontsnapt waren zij uit de harde, rode paleizen van onze aaneengeregen verkavelingen,
zij hadden de linten van onze bebouwing ontward,
zij waren vertrokken, migranten in het land van de brakeleer,
en daar stond zij, zij wachtte hen op met haar kundige handen, 
zij heeft hen gevangen in haar zeer zichtbare, fijnmazige, onontkoombare netten van lijnen en kleuren,
onder de wolken hebben haar bekwame armen hen omhelsd en bespat,
in haar gespannen vlakken troffen hen alle dimensies van lente en herfst,
van havik en zwaluw en zandbij,
zij vonden voor even, voor eeuwig bij haar,
dankzij haar oeroude, geschilderde toverspreuken,
het sterfelijke, het dierlijke, het plantaardig prachtige,
het o zo vluchtige leven.